24 juli 1936 Martelaressen van Guadalajara

De Spaanse geschiedenis werd in de woelige periode 1873-1938 gekenmerkt door een afwisseling van christelijk georiënteerde monarchie en antiklerikale republieken; in oorlogstijden of onder dictatoriale regimes worden steeds wreedheden begaan, in alle kampen, waarvoor we nooit een vergoelijking mogen aanvaarden, of ze zich nu in het rechtse of het linkse kamp voordoen. We beperken ons hier tot het gebeuren in Guadalajara.

In 1936 kwam in Spanje na verkiezingen het extreem linkse Volksfront aan de macht waarna een burgeroorlog uitbrak. De Republikeinen ontketenden een anti-religieuze vervolging te vergelijken met de donkerste periode van de Franse Revolutie; op de lijst van te elimineren mensen stonden op de eerste plaats priesters. Meer en meer kloosters en kerken werden in brand gestoken, heilig artistiek erfgoed werd grotendeels vernietigd. Alles wat ook maar deed denken aan de katholieke religie moest verdwijnen. Er werden massa-executies uitgevoerd: zeker 13 bisschoppen, 4.184 priesters, 2.365 religieuzen, 283 zusters en duizenden leken werden in die tijd om het leven gebracht.

Op 22 juli 1936, toen de Republikeinse milities de stad Guadalajara veroverden, vreesden de zusters van het karmelietessenklooster dat het in brand zou worden gestoken. In de namiddag gaf de priester de communie aan de 18 religieuzen, daarna zochten ze in de stad onderdak in nabijgelegen huizen of bij kennissen.
Dertien zusters brachten de eerste nacht door samen met de priorin in de kelder van het Hotel Hibernia. De volgende dag lazen ze om vijf uur ’s ochtends samen de ochtendgebeden. Toen ze daarna vanop een bovenverdieping de rook van vele branden in de stad gade sloegen, nam hun angst van uur tot uur toe, meer en meer nieuws bereikte hen over het alsmaar groter wordende dodental, ook onder hun familieleden en vrienden. Slechts vijf priesters van de stad zouden aan het bloedbad ontsnappen. Hun angstige gastvrouw gaf te kennen, toen ze zag hoeveel huizen in de vlammen opgingen, dat ze slechts drie religieuzen kon verbergen. De priorin trok met een zieke zuster naar een huis in de straat waar zich al twee broeders karmelieten verschuilden.

Beata Maria Ángeles

Zuster Teresia van het Kind Jezus stelde de zusters Maria Pilar en Maria Angeles voor om haar te volgen naar een ander huis, waar vrienden van haar woonden. Onderweg werden ze echter herkend door een soldate. Bang vluchtten ze en probeerden te schuilen in een naburig huis maar dat mislukte. Hier spoorde de soldate haar kameraden aan om de drie zusters neer te schieten.

Beata Maria del Pilar

Zuster Maria Angeles werd onmiddellijk gedood. Zuster Maria Pilar, dodelijk gewond, werd naar het Rode Kruis-ziekenhuis gebracht, waar ze een paar uur later overleed. Haar laatste woorden waren: “Vader, vergeef het hun”. Zuster Teresia van het Kind Jezus slaagde er aanvankelijk in te ontsnappen, maar werd ingehaald door een soldaat die eerst beweerde haar te willen beschermen. Dan beloofde hij haar leven te redden in ruil voor “zekere diensten”, die ze weigerde. Toen nam hij haar mee naar het kerkhof, waar hij haar vroeg te schreeuwen: “Viva el Comunismo!” (Lang leve het communisme!). Maar in de plaats daarvan riep ze “Viva Cristo Rey! “(Lang leve Christus Koning!).

Beata Teresa del Niño Jesus

Zuster Teresia van het Kind Jezus werd tegen de muur van het kerkhof doodgeschoten.
Meteen daarna werden de lichamen van de drie karmelietessen in een massagraf gegooid. Dit werd heropend op 15 juli 1941. Hun lichamen konden geïdentificeerd worden dankzij hun scapulier en het kruisbeeld op hun borst. De stoffelijke overblijfselen van de drie religieuzen werden twee dagen later begraven in hun klooster. Al snel werden wonderen gerapporteerd toegeschreven aan deze drie karmelietessen:

● Marie Pilar van de Heilige Franciscus Borgia (geboren Giacomina Martinez-Garcia, op 30 december 1977).
● Maria Angeles van Sint Jozef (geboren Marciana Valtierra-Tordesillas, op 6 maart 1905).
● Teresia van het Kind Jezus en Sint Jan van het Kruis (geboren Eusébia Garcia y Garcia, op 5 maart 1909).
 
Paus Johannes Paulus II verklaarde de drie karmelietessen van Guadalajara in Rome zalig op 29 maart 1987.
Toen op 11 maart 2001, 233 andere Spaanse martelaren van de burgeroorlog eveneens zalig verklaard werden, zei paus Johannes Paulus II over hen: “Allen, zoals blijkt uit de canonieke processen voor hun verklaring als martelaren, vergaven voor hun dood hun beulen met heel hun hart. Deze zaligen die zijn grootgebracht om de altaren te eren, waren niet betrokken bij politieke of ideologische strijd en wilden dat ook niet. (…) Ze leefden liefdevol en stierven vergevensgezind. Bewust van het sterven voor hun geloof, riepen velen onder hen “Lang leve Christus Koning! “.

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven