17 juli 1794 Zalige Teresia van Sint-Augustinus en haar medezusters, Martelaressen van Compiègne

De zestien Martelaressen van Compiègne zijn karmelietessen uit een klooster in Compiègne die op 17 juli 1794 in Parijs onder de guillotine zijn gebracht tijdens het Schrikbewind van de Franse Revolutie. De groep bestond uit 16 personen: 11 ongeschoeide karmelietessen, 3 lekenzusters en 2 aangesloten religieuzen. Zij waren tussen 26 en 78 jaar oud.
 
Op het einde van de zeventiende eeuw, een eeuw vóór de Revolutie, zag Zr. Elizabeth Baptist, karmelietes te Compiègne, in een droom alle nonnen van het klooster in de heerlijkheid van de hemel, gekleed in hun witte mantel en met een palm in de hand. Een voorteken van een mogelijk martelaarschap van de religieuzen van het klooster?
 
In september 1792, toen Teresia van Sint-Augustinus, priorin, in het kader van de Franse Revolutie en zijn antiklerikale beslissingen het verlangen naar het martelaarschap in de gemeenschap voelde groeien, stelde ze een act van toewijding voor waarmee “de gemeenschap zich als offer zou aanbieden om de toorn van God te stillen, en om de goddelijke vrede die Zijn geliefde Zoon door zijn komst in de wereld had gebracht, in de kerk en de staat te herstellen”. Deze toewijding werd door alle karmelietessen enthousiast onthaald, behalve door de twee oudste zusters die bekenden heel bang te zijn, niet zozeer om zich te offeren dan wel voor de manier waarop, de guillotine. Na enkele uren konden hun medezusters hen toch overtuigen en aanvaardden ze onder tranen de genade om de eed af te leggen.
 
Op 2 november 1789 werden in gans Frankrijk de eigendommen van de geestelijkheid aangeslagen en overgemaakt aan de staat, teneinde de enorme financiële crisis van het land het hoofd te bieden, maar de religieuzen mochten toen nog in hun kloosters blijven wonen.
 
Een jaar later werden alle godsdienstige en monastieke orden ontbonden. Geloften die de religieuzen vroeger hadden afgelegd, werden ongeldig verklaard. De Algemene Vergadering gaf hen de raad naar huis terug te keren en een burgerleven aan te nemen, maar liet toch toe dat wie dat echt wilde in een klooster kon blijven wonen, zij het dan wel genationaliseerd. De karmelietessen van Compiègne bleven in gemeenschap wonen in hun “Heilige Huis”. In december 1790 zou Zr. Constance van Jezus, novice, geloften mogen afgelegd hebben, de nieuwe wetgeving verbood dit echter. Zo bleef ze tot het einde als novice bij haar medezusters.
 

 
Het regime verstrengde echter. In augustus 1792 werd beslist alle religieuzen uit hun kloosters te verdrijven en de gebouwen te verkopen om de overheidsuitgaven te financieren, het habijt mocht niet meer gedragen worden. De religieuzen werden verplicht om publiek een eed van trouw te zweren aan de staat en om steeds de gedachten van vrijheid en gelijkheid te verdedigen, desnoods met de dood. Vele religieuzen weigerden dit te doen, zelfs in aanschijn van de dood, omdat ze het persoonlijk in strijd vonden met hun vroeger afgelegde geloften van gehoorzaamheid.
Het is in die dagen dat de karmelietessen van Compiègne hun eed tot martelaarschap aflegden.
 
Ze werden op 14 september 1792 uit hun klooster in Compiègne gezet. Moeder-priorin vond enkele katholieke families bereid om de religieuzen op te vangen. Daar gingen ze discreet verder met hun levenswijze van werken, zingen en bidden. Gedurende enkele maanden kon er nog in het geheim een mis opgedragen worden in de kerk St-Antonius van Compiègne, waar de karmelietessen elkaar ontmoetten. Dagelijks vernieuwden ze hun act van toewijding om te sterven voor het geloof en voor Frankrijk. In de herfst van 1793 werd het in het kader van de algehele ontkerkelijking van Frankrijk moeilijker om missen op te dragen of diensten bij te wonen.
 

 
In de zwartste periode van de Franse Révolutie, gekend als het Schrikbewind (“la Terreur”), greep het drama van de karmelietessen van Compiègne plaats.
Nadat het klooster was doorzocht en er enkele compromitterende geschriften en zaken zouden zijn aangetroffen – onvoorzichtige brieven die de Revolutie bekritiseerden en een royalistische en fanatiek-religieuze samenzwering konden doen vermoeden, en afbeeldingen van het Heilig Hart, werden de karmelietessen aangehouden. De opstandelingen in het departement Vendée gebruikten het Heilig Hart immers als embleem. In deze periode van het almachtige volkstribunaal dat verdediging door derden verbood, en alleen vrijspraak of doodstraf uitsprak, was het lot van de karmelietessen reeds bezegeld. Tegen het verbod in trokken ze opnieuw hun habijt en de witte mantel aan toen ze naar Parijs werden overgebracht.
 
Antoine Quentin Fouquier de Tinville – hij werd zelf onthoofd in 1795 – trad op als openbare aanklager. Ze werden ervan beschuldigd contrarevolutionaire vergaderingen belegd te hebben en de kloosterregel te blijven volgen. Ze zouden ook geweigerd hebben de eed af te leggen zoals vereist volgens de nieuwe wetgeving. Daarom werden ze op beschuldiging van fanatisme en opruiing veroordeeld tot de dood door onthoofding.
 
De terechtstelling van de karmelietessen maakte veel indruk op het Franse publiek. Terwijl ze in karren naar het schavot gebracht werden, zongen ze Miserere, Salve Regina en Veni Creator. Voor de guillotine stapten ze uit, zongen het Te Deum en vernieuwden hun geloften. Zr. Constance van Jezus, novice, was de eerste die op het schavot werd geleid.
 

 
Ze knielde voor Moeder Priorin en vroeg toestemming om te sterven. Terwijl ze de trappen van het schavot opging, zong ze Laudatum Dominum. Daarna kwamen een voor een de andere zusters aan de beurt; allen bleven zingen, ook toen ze onder de guillotine lagen. Het werd ijzingwekkend stil in Parijs. Het zingen werd steeds zwakker naarmate steeds meer karmelietessen onthoofd werden. De laatste, Teresia van Sint-Augustinus, moeder-priorin, zong nog solo.
 
Hun lichamen werden in een van de twee massagraven van het kerkhof van Picpus te Parijs gegooid.
 
Paus Pius X verklaarde de karmelietessen van Compiègne zalig op 27 mei 1906. Ze worden herdacht op 17 juli, dag van hun executie.

 
Namen van de 16 karmelietessen:

  1.  Zuster Constance de Jésus (29, novice), geboren Marie-Geneviève Meunier op 28 mei 1765 te Saint-Denis ; 
  2. Zuster Saint Louis (42), geboren Marie-Anne-Françoise Brideau op 7 december 1751 te Belfort ; 
  3. Zuster Euphrasie de l’Immaculée Conception (58), geboren Marie Claude Cyprienne Brard op 12 mei 1736 te Bourth (Eure) ; 
  4. Zuster Julie-Louise de Jésus (53), geboren Rose Chrétien de Neuville op 30 december 1741 te Évreux (Eure) ; 
  5. Zuster Sainte Marthe (51), geboren Marie Dufour op 2 oktober 1741 te Bannes (Sarthe) ; 
  6. Zuster Marie de Jésus Crucifié (78) geboren Marie-Anne Piedcourt op 9 december 1715 te Paris, Saints-Innocents ; 
  7. Zuster Marie du Saint Esprit (52),geboren Angélique Roussel op 3 augustus 1742 te Fresnes-Mazancourt (Somme) ; 
  8. Zuster Saint François-Xavier (33), geboren Juliette Verolot op 13 januari 1764 te Lignières (Aube) ; 
  9. Zuster Thérèse de Saint Ignace (51), geboren Marie-Gabrielle Trézel op 4 april 1743 te Compiègne, Saint-Jacques ; 
  10. Zuster Charlotte de la Résurrection (78), geboren Anne-Marie-Madeleine-Françoise Thouret op 16 september 1715 te Mouy (Oise) ; 
  11. Zuster Thérèse du Cœur de Marie (52), geboren Marie-Anne Hanisset op 18 januari 1742 te Reims ; 
  12. Zuster Catherine (52), geboren Catherine Soiron op 2 février 1742 te Compiègne, Saint-Jacques ; 
  13. Zuster Thérèse (49), geboren Marie-Thérèse Soiron op 23 januari 1748 te Compiègne, Saint-Jacques ; 
  14. Moeder Henriette de Jésus (49, novices meesteres), geboren Marie Françoise Gabrielle Colbert de Croissy op 18 juni 1745 te Parijs, Saint-Roch ; 
  15. Zuster Marie-Henriette de la Providence (30), geboren Marie-Anne Pelras op 16 juni 1760 te Cajarc (Lot) ; 
  16. Moeder Thérèse de Saint-Augustin (41, priorin), geboren Marie-Madeleine-Claudine Lidoine op 22 september 1752 te Parijs, Saint-Sulpice.

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven