Homilie Pater Roeland 24 mei 2020 : Zevende Paaszondag A

• Handelingen 1, 12-14
• Johannes 17, 1-11a

Zusters en broeders,

Vorige donderdag vierden we de hemelvaart van Jezus: hoe Hij op de Olijfberg voor de ogen van zijn leerlingen omhoog geheven werd en aan hun ogen onttrokken. Vandaag horen we in de eerste lezing wat daar direct op volgt: de apostelen zijn van de Olijfberg, gelegen op een kleine kilometer van Jeruzalem, teruggekeerd naar de zaal waar ze verblijf houden, en samen met Jezus’ moeder Maria, met enkele andere vrouwen en met de broeders van Jezus volharden ze eensgezind in gebed.

Dat is dus wat de leerlingen en de andere aanwezigen doen: ze volharden eensgezind in gebed. Er is geen sprake van paniek omdat Jezus weg is, geen onenigheid over hoe ze zijn opdracht moeten aanpakken: de opdracht dat ze over heel de wereld van Hem moeten getuigen en alle volkeren moeten dopen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Er is alleen maar eensgezindheid en gebed.

Zo zien we dat bidden in de eerste plaats bestaat in God eren en verheerlijken. ‘Dat is het wat Jezus doet in dit evangelie. Het is een ingetogen gebed en tegelijkertijd een krachtig gebed. Het zijn woorden die we in de stilte op ons moeten laten doorwerken. De heilige ruimte van God betreden en ons hart laten raken.
Jezus vertrouwt zich toe aan zijn Vader, Hij geeft zichzelf uit handen. En zoals zo dikwijls spreekt Hij God aan als zijn ‘Abba’. Het gaat hier om de diepste intimiteit tussen de Vader en de Zoon. “Al het mijne is van U, al het Uwe is van Mij”.

Het gebed van Jezus is ook vragend: “Vader, verheerlijk Mij… bewaar hen die Gij Mij gegeven hebt”. Het gaat hier niet alleen om zichzelf. Hij denkt ook aan zijn leerlingen. Hij denkt ook aan ons. Jezus weet welke zending Hij van de Vader gekregen heeft. Hij is gezonden om ons het leven te brengen en nu bid Hij dat ook wij zouden opgenomen worden in de intimiteit van de goddelijke Drie. “Je hebt Mij de macht gegeven over alle mensen om eeuwig leven te schenken aan allen die Gij Mij gegeven hebt”. Daarom heeft Hij ons God leren kennen als ook onze “Abba”. Zijn hartstocht voor de Vader wil Hij ook in ons zien. Dat vuur is Hij komen brengen, en dat vuur wil Hij zien branden in ons.

Het gebed van Jezus is dus geen abstract gebed. Hij bidt vanuit een diepe bezorgdheid voor, maar ook vanuit een diepe verbondenheid met zijn leerlingen. “Ik bid voor hen… Ik bid voor degenen die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij U toebehoren”. Jezus bidt opdat wij één zouden blijven: “Vader, bewaar in Uw Naam hen die Gij Mij gegeven hebt, en dat zij één mogen zijn zoals Wij één zijn”.

Wij behoren dus God toe. Jezus heeft ons die zekerheid gegeven. En ook al zijn er momenten van twijfel, van angst en onzekerheid, we vallen altijd terug in de handen van God. En dat geloof helpt ons om onze angst te overwinnen. Als ik mijn leven in de handen van God durf leggen en me helemaal aan Hem toevertrouw, dan weet ik dat Hij onze angst wegneemt en er hoop voor in de plaats stelt. De hoop dat elk leven, hoe kwetsbaar en gekwetst het ook is, zin heeft omdat het door God gedragen wordt.

Broeders en zusters, eensgezind en met volharding bidden, dat is wat de leerlingen doen en wat Jezus ons heeft geleerd. Laten we dat dus doen: met aandrang blijven bidden om God te eren en te danken, om Hem te vragen dat Hij ons altijd bijstaat, en om Hem te beloven dat we zijn weg van liefde en vrede willen gaan tot in eeuwigheid. Amen

P. Roeland

 

Download of print deze homilie als pdf

Overzicht van alle homilieën.

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven