Homilie Pater Piet 25 april 2021 : 4de Paaszondag cyclus B, Roepingenzondag

Handelingen.4,8-12; Joh. 10,11-18

Een merkwaardige spanning bij deze genezing.

De apostel Petrus geneest een lamme die bij de tempelpoort zat. De situatie roept een merkwaardige spanning op. Na zijn genezing kon de man springend en zingend op eigen kracht de tempel binnengaan. Hij is super-content. En als jij in je leven ziet, dat de ene mens de andere helpt en gelukkig maakt, ben je dan toch ook blij ?
 
Soms kan een mens niet meer vooruit door een lichamelijke ziekte, door overspannenheid, door de last van onze samenleving, of de druk van het beroep, of door familieomstandigheden. En dan komt er iemand, die je uit de put haalt en weer op de been zet: ben je dan niet dankbaar?
 
Het merkwaardige is dat vooral eenvoudige, gewone mensen, met gezond verstand dat dan inderdaad zijn. De toeschouwers op het tempelplein verheerlijkten spontaan God en waren buiten zichzelf van verbazing over de genezing van die lamme. In bijbelse taal vonden ze die genezing “tov”! Maar de officiële gezagsdragers hadden er blijkbaar wél moeite mee.
 

Jezus is het perfect beeld van God.

Er is meer. Petrus op het tempelplein verkondigt ook dat de genezing van die verlamde en verkreukelde mens plaatsvindt in de Naam en uit de kracht van Jezus van Nazaret, de verrezen Heer. Hij is de unieke Zoon van God en de ware broeder van alle mensen.
 
In zijn persoon weerstond hij al die krachten in de samenleving en in het persoonlijke gedrag van mensen, waardoor armoede, honger, vervreemding, bezetenheid, obsessie, oorlog, vervolging en dood ontstaan. Hij ging vol ontferming en dus bevrijdend met mensen om. Mensen weer op de been helpen was voor Jezus “zijn lust en zijn leven”. Precies zo vervult hij het Woord van God. Daarom mocht hij van zichzelf getuigen: “Wie mij ziet, ziet de Vader”. Hij is het perfect beeld van God.
 

De Hoge Raad voelde zich gepasseerd.

Dus die officiële leden van de Hoge Raad hebben geen belangstelling voor de genezen lamme. Ze hadden genoegen kunnen nemen met zijn genezing, want er was toch welgedaan aan een gebrekkig mens. De weldaad wijst ook naar het goede van de verkondiging van Petrus; ze was bovendien gedaan uit Naam van Jezus Messias. In die lamme mens was het beeld van God hersteld. De Raad had zich kunnen verheugen, dat gewone en ongeletterde mensen, zoals de apostel Petrus, Gods liefde zichtbaar hadden gemaakt.
 
Maar neen. De Raad was verstoord. Ze voelde zich gepasseerd. Ze nam Petrus en Johannes gevangen. Deze vissers hadden zonder aanstelling en dus zonder bevoegdheid verkondigd en heil gebracht. Zoiets was alleen voorbehouden aan die Raad.
 
Ze hadden het druk met het bewaken van hun positie, met het zich laten eren. Terwijl het juist hun roeping was mensen dienstbaar te zijn en ruimte tot levensvreugde te geven. In plaats van herder te zijn en naar mensen te kijken met een goed en gezond meelevend hart, zoals God dat doet, stonden ze op hun “strepen”.
 

Die romantische voorstelling klopt niet !

De Heer is mijn herder, roept terecht het beeld op van geborgenheid en veiligheid. Het beantwoordt aan wat mensen ten diepste hopen in hun leven: dat zij bewaard en bemind zullen worden door God en door medemensen.
 
Nu kun je bij een herder een heel romantische voorstelling hebben. Maar dat klopt niet met de werkelijkheid. Het is ook niet het beeld dat de evangelist Johannes ons vandaag van Jezus schetst. 
 
Jezus als de goede herder staat in tegenstelling tot herders die uit waren om hun eigen positie en eer te vestigen. Ze bekommerden zich nauwelijks om de mensen die aan hun zorgen waren toevertrouwd. Daarom horen wij als karakteristiek van de échte herder dat “hij zijn leven geeft voor zijn schapen”. Wat doet hij dan concreet ?
 
In de psalm 23 heet het dat hij schapen naar vruchtbare weidegrond en stromend water leidt. Hij zorgt dat zij op adem komen, rust vinden en zich kunnen voeden, leven en ontwikkelen. Zo’n echte herder kent elk schaap persoonlijk bij naam. Hij gaat desnoods intens op zoek naar een gemist of verdwaald schaap. Want het kan ongelukkig gevallen zijn. Als het op zijn rug terecht kwam, met zijn poten omhoog, kan het nooit meer op eigen kracht rechtop komen. Het sterft tenslotte. Komt het tussen doornstruiken vast te zitten, dan is het een uitstekende prooi voor wolven of beren.
 

Herder zijn is een zwaar beroep.

Dag en nacht ben je in de weer, erom bekommerd dat wie je is toevertrouwd tot zijn recht kan komen. Je probeert hen nabij te zijn, ook als die ander vervelend doet, in nood is, angstig of met de dood voor ogen leeft. Hij is onvoorwaardelijk de tochtgenoot van een ander, wat er ook gebeuren zal.
 
Hij bereidt een goed gedekte tafel, is bedacht op wat gemeenschap sticht en vreugde geeft. Hij is gastvrij, weet anderen welkom te heten en zorgt dat het zijn gasten aan niets ontbreekt. Vanuit zo’n liefde ontstaat er hoop bij mensen en zullen zij de dag van morgen met vertrouwen tegemoet zien! Dat is wat een goede herder doet.
 
Vanouds is vanuit die ervaring van zorgende nabijheid en voorkomende liefde de Herder als beeld van God gegroeid. “Ik zal er zijn voor jou”. Voor velen is dit zo genezend. Het staat in contrast met een herinnering aan situaties van gebruikt of uitgebuit te worden, of in de steek gelaten te zijn, of van isolement of dorheid zoals in een woestijn, als je als mens verkommerde en geen hoop meer had.
 

Zit er ook een herder(in) in jou ?

Het vertrouwen dat mensen kunnen stellen in God die Herder is, ontwaakt in hen als zij ervaren hoe mensen zorg weten te dragen voor elkaar, vergevingsgezind zijn, elkaar ademruimte en vrijheid schenken.
 
Daarom horen wij Petrus zeggen dat het in de naam van Jezus is dat een zieke mens weer genezen is. Wanneer wij doen als Jezus en in zijn voetspoor met anderen omgaan, vindt er blijkbaar nu al een aanzet tot verrijzenis plaats!
 
Daartoe word je geroepen. Door je geloof in Jezus wordt je ruimte gegeven om jezelf te worden, om naar anderen om te zien, samen met God. Dat is zorgzaam zijn. Dan ben je een goede herder. Dan ontstaat er vertrouwen tussen mensen. Je kent elkaar bij de naam. Je weet van elkaar wie je bent, wat je aan elkaar hebt en je gaat zo op de juiste manier met elkaar om.
 


 

VOORBEDEN

 
V. Jezus heeft gezegd: ‘Ik ben de goede Herder.
Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij:
Daarom mogen wij vol vertrouwen bidden:
 

  1. Voor de herders in de Kerk :
    dat zij zich naar het voorbeeld van de goede Herder
    totaal geven aan de hun toevertrouwde gelovigen …
     
  2. Voor hen die geroepen zijn
    tot het priesterschap, het religieuze leven,
    tot de Karmelorde,
    tot een bediening of ambt in de Kerk :
    dat zij gehoor geven aan de stem van de Heer …
     
  3. Voor hen die leiding geven in onze samenleving :
    dat zij bekommerd zijn om het welzijn van allen …
     
  4. Voor allen die niet weten van liefdevol leiden of geleid worden;
    die zich geminacht, verwaarloosd of ongezien voelen;
    voor hen die door leiders gekrenkt, misleid, misbruikt worden :
    zie naar hen om, ontferm U over hen …
     
  5. Voor onszelf:
    dat wij bereid zijn ons in te voegen in de kerkgemeenschap
    en ons door Christus’ hand te laten leiden …

 
V. Vader, Gij hebt ons uw Zoon gegeven als onze herder,
luister naar onze noden en verhoor onze gebeden.
We vragen het U,
door Christus, onze Heer.

 

deze homilie als pdf

 

Ontdek de rubriek ‘In ons Karmelklooster’
+ diverse bijdragen rond Karmelroeping

 

Overzicht van alle homilieën.

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven