Previous Article Next Article Homilie Pater Piet 27 oktober 2019 : 30ste zondag door het jaar C
Posted in Homilie

Homilie Pater Piet 27 oktober 2019 : 30ste zondag door het jaar C

Homilie Pater Piet 27 oktober 2019 : 30ste zondag door het jaar C Posted on 27 oktober 2019

Lc 18,9-14

Jezus praat de fouten van de tollenaar niet goed. Iedereen weet dat die man geld afperst en dan nog in dienst van de Romeinse bezetter! Volksverraad heet dat. In de Bijbel wordt dit als een erge zonde gezien. Wat bewondert Jezus dan wel in die tollenaar? Hij zegt dat die man gerechtvaardigd, met Gods vrede in zijn hart, naar huis gaat. Jezus is getroffen door de oprechtheid van die man. De tollenaar is zich bewust van zijn fouten en tekorten. Hij is er beschaamd over. Toch verbergt hij ze niet. Hij durft ermee naar de Heer gaan. Hij doet zich niet beter voor dan hij is. Hij kan enkel maar stamelen: “God, wees mij zondaar genadig”.

Zie eens hoe goed ik wel ben.

Is de Farizeeër dan onoprecht? Staat hij hardop te liegen? Nee, dat is niet het geval. Wat hij zegt zal eigenlijk wel juist zijn. Hij overdrijft niet als hij beweert: “Ik vast en geef tien procent van mijn inkomsten aan de tempeldienst en aan armen”. Een Farizeeër is een Jood die – met hart en ziel – zijn godsdienst ernstig neemt en zich moeite getroost om die ook te beleven.

Maar toch is die man zelfvoldaan en blind voor zijn tekorten. Jezus noemt farizeeërs elders in het evangelie “aderengebroed” en “witgekalkte graven”: van buiten mooi en correct, maar van binnen is dat niet zo. De farizeeër heeft – bewust of onbewust – geen oog voor het kwaad dat in zijn eigen hart schuilt. In een treffend psalmgebed (51) staat nochtans : “God, u hebt mij geleerd in eigen hart te zien”. Blijkbaar kan de Farizeeër dit (nog) niet. Zijn bidden blijft aan de buitenkant staan en alles draait om hemzelf.

Met opzet vergelijkt Jezus deze twee levenshoudingen. Hieruit blijkt het verschil. De vrome jood staat daar vooraan uit te pakken met zijn goede kwaliteiten. Hij houdt ze aan God voor als een soort waarborg: “Zie eens, hoe goed ik wel ben!” En de tollenaar ‘gebruikt’ hij zelfs daarbij, als een soort bevestiging van zijn persoonlijke religieuze degelijkheid. Hij ziet niet naar hem om, nu niet in de tempel en evenmin in het dagdagelijkse leven.

De ervaring van Sint-Paulus en Sint Jan van het Kruis.

Hij heeft nog niet begrepen dat hij alles te danken heeft aan God; dat hij daarom niets mag houden voor zichzelf, ook niet zijn kwaliteiten en prestaties, zijn standvastig geloof. Dit alles heeft hij gekregen om voor anderen meer en beter beschikbaar te zijn. Want “alles is genade”, “tout est grâce”. Sint-Paulus verduidelijkt dat in zijn brief: “Wat heb je dat je niet gekregen hebt? En als je alles cadeau gekregen hebt, waarom die drukte, waarom er zoveel spel van maken, alsof alles van jezelf kwam?” (1Kor. 4,7).

De karmeliet en kerkleraar Sint-Jan van het Kruis haakt daarop in. Zo noteert hij: “Het is waar dat religieuze praktijken uit zichzelf nederig maken. Maar toch kan uit die eigenschap, vanwege onvolmaaktheid, vaak een vorm van verborgen hoogmoed ontstaan. Daardoor kunnen godsdienstige mensen zich enigszins voldaan voelen over hun prestaties en over zichzelf. Daaruit komt ook een zeker ijdel, soms zeer ijdel verlangen uit voort. In het bijzijn van anderen hebben zij meer zin in het onderrichten over die geestelijke dingen, dan in het zélf aanleren ervan.

In hun hart veroordelen zij zelfs anderen, wanneer zij hen bv niet die bepaalde devotie zien beoefenen die zij verkiezen. Soms drukken zij dit ook in woorden uit. Daardoor worden zij gelijk aan de farizeeër, die bij het prijzen van God zich beroemde op zijn prestaties, terwijl hij de tollenaar verachtte. Het komt nogal eens voor dat sommigen van hen graag zouden hebben als niemand anders goed scheen dan zijzelf. Zodoende veroordelen en belasteren zij anderen met woord en daad als zij de kans krijgen. Zij zien de splinter in het oog van hun broeder, maar niet de balk in hun eigen oog”.

Kijk eens in de spiegel.

Het is dus een parabel die je nodigt om zelf rustig in de spiegel van je leven te kijken. Met je goede en je kleine kanten ben je met medemensen verbonden en aan elkaar toevertrouwd. Heb je bekwaamheden, dan moet je ze in dienst stellen voor wie dit nodig of nuttig is. Beschik je over een zekere innerlijke draagkracht, dan heb je dat gekregen om de lasten van anderen mee te dragen. Maakt het samen-leven of werken je bewust van eigen tekorten, dan mag je dankbaar zijn om de mens die je helpt klaarder te zien in jezelf.

In de parabel staan de tollenaar en de farizeeër ver van elkaar verwijderd. Een ontmoeting zou nochtans voor beiden leven-gevend geweest zijn. De een zou misschien wat minder zelfvoldaan geworden zijn, de ander wat standvastiger in het beleven van zijn geloof. Zo vormt, tot op vandaag, al wie zich christen noemt ‘gemeenschap’ met elkaar. Je deelt in het goede van de ander en je draagt samen de last van elkaars kwaad. Tot deze verbondenheid waren de farizeeër en de tollenaar nog niet gekomen en eigenlijk is dit Gods verwachting voor ieder van ons.

De tollenaar laat zien wat evangelisch gebed is: het wordt gekenmerkt door echtheid en oprechtheid. Hij weet dat de Heer in zijn hart kijkt. Daar is niet alles in orde. Geld bv interesseert hem wel. Zijn medemensen durft hij op dat vlak hard aanpakken. Maar hij erkent én bekent het. Hij weet het: God kijkt dwars door je heen. Niet om er met een vergrootglas elke fout aan te wijzen, maar integendeel om er te zoeken naar de goede kern, om er de sporen van echte menselijkheid te vinden, die zo vaak verborgen liggen onder het stof van al te menselijke ondeugden en fouten.

Je komt tot waarachtig gebed.

Laten wij die barmhartige, bemoedigende blik van God toe in ons hart? Dat kan maar, als wij maskers durven afzetten. In ons leven zullen we onvermijdelijk ergens aan blijven haperen. Je komt bedrogen uit, want je had een onzuiver motief. Zo ontdekken wij onze schaduwzijden en onze zondigheid. Maar je mag niet ontmoedigd worden. Dat is even gevaarlijk als de arrogantie, de verblinding van de farizeeër. De waarheid over jezelf kan je tot waarachtig gebed brengen. Door levensomstandigheden word je op je plaats gezet. En dat is dus niet in het centrum in je relatie met God. God is daarin het eerst en wordt steeds meer de stralende zon van je leven.

Download of print deze homilie als pdf

Overzicht van alle homilieën.