Homilie Pater Piet 6 september 2020 : 23ste zondag door het jaar A

Ezechiël 33,7-11 ; Matteüs 18, 15-20

In vroegere tijden werden in Israël – als de oogsttijd naderde – mensen ingehuurd als bewakers om ervoor te zorgen dat de gewassen niet gestolen werden voor de oogst. Soms bouwden ze zelfs een wachttoren. Ook in ons land hadden heel wat steden op de ringmuren bewakers in torens, om de inwoners van de stad te beschermen tegen plunderaars.

Een wachter op de toren.

Denkend aan dit soort veiligheidsmaatregelen, beschreef de profeet Ezechiël God zélf als een ‘wachter voor het huis van Israël’. Samen met Ezechiël leefden de Israëlieten in ballingschap als slaven. Ze hadden niets dat van hen afgepakt kon worden. Waarom hadden ze dan in hun ellende zo’n bewaker of wachter nodig? Dat was zeker niet omdat ze zoveel contant geld en juwelen hadden. Ze sloegen daarom weinig acht op de woorden van Ezechiël.
 
Maar… we zijn nu op een belangrijk punt in dat profetisch boek van Ezechiël. Hij had mensen éérder gewaarschuwd dat zij met een ramp zouden worden geconfronteerd als ze zich niet bekeerden. Maar nu die ballingen hoorden dat Jeruzalem gevallen was en dat wat Ezechiël voorspeld had echt werkelijkheid was geworden, moest hij wél de toon en de inhoud van zijn boodschap aan hen wijzigen, bijsturen. Want… als Jeruzalem en de Tempel verwoest zijn, wat is er dan in feite nog overgebleven voor hen, om naar uit te zien? Anders gezegd: was er nog hoop?
 
Jammer genoeg zijn er vele mensen die zoiets hebben meegemaakt. De laatste maanden en jaren was dit aan de orde van de dag; steden en huizen werden verwoest en miljoenen mensen zijn ontheemd op zoveel plaatsen. Verschillende virussen zijn meedogenloos gebleken en verspreiden zich nog steeds. Dichterbij hebben veel mensen problemen. Samen met gelovigen uit de zesde eeuw vóór Christus mogen we dus luisteren naar Ezechiël, die ons probeert moed in te spreken en hoop te geven.

Ook een herder die de weg wijst.

Ezechiël was zélf een wachter in tijden van gevaar. Gevaar komt niet alleen van buiten. Hij werd door God aangewezen om mensen zonder hoop te sterken. Hij is niet alleen een wachter die waarschuwt, maar een herder om mensen op de goede weg te leiden en te steunen. Vandaar zijn woorden: ”Degenen die leven in een vreemd land worden niet vergeten”.
 
Ezechiël, de wachter met de taak om te waarschuwen, moest moeilijke woorden tot zijn volk richten. De meesten van ons doen dat liever niet tegen de mensen die we kennen. Maar soms is juist dàt de manier waarop God – door ons toedoen – kan werken in hun leven. Want wij zijn door ons doopsel geroepen om ook een beetje ‘profeten’ te zijn. Daarom moeten we soms – net als Ezechiël – onszelf en anderen liefdevol attent maken op bepaalde minpunten en dat we onze verantwoordelijkheid daarin moeten nemen.
 
Samen bidden betekent de aanwezigheid van de Heer Jezus in ons midden gelovig doorleven. Het is in liefdevol gesprek gaan met God. Bidden is dus niet louter zich bezinnen of nadenken over God. Bidden is van belang als we proberen te werken aan de opbouw en de verbetering van ons gezin, familie, onze gemeenschap. Bidden is het vertrekpunt, de bron.

Hoopvol vooruitkijken.

Streven naar oplossingen voor de minpunten zal niet altijd kunnen met alleen maar vriendelijkheid. Daarom bestaat ook het bekende spreekwoord over die zachte heelmeesters… Samen bidden en daarbij Jezus vragen ons te leren onderscheiden in zijn Geest met gezond verstand, is daarbij erg gewenst. Hij zal ons dan helpen om samen liefdevol te handelen in zijn naam. We zijn zo écht volgelingen van Jezus, die proberen samen te leven elk volgens zijn levensstaat, zoals Gód dit van ons verlangt.
 
Zo vragen onze bisschoppen ons “hoopvol vooruit te kijken” en samen onze gemeenschappen mooier maken, broederlijker en met meer begrip voor elkaars kwetsuren, werkpunten en voor de noden van de wereld.
 
Laten we onze vieringen blijven verzorgen; dan worden ze een bron van inkeer en inzet. Zal de wereld van morgen anders zijn dan die van gisteren? Waar je ook leeft, je hebt altijd de kans haar beter te maken. De pandemie stelde trouwens een aantal grote uitdagingen van onze tijd op scherp.
 
Hoe bieden we steun aan de slachtoffers van een sociale crisis, waarvan we nu pas de eerste gevolgen beginnen te zien? Hoe kunnen we vooral de jongeren nabij zijn? Hoe solidair zijn met de bejaarden, die vaak door eenzaamheid worden getroffen? Hoe zullen we gastvrijheid bieden aan hen die onze maatschappij liever uitsluit, of aan onze grenzen tegenhoudt? Hoe geven we erkenning en waardigheid aan hen die – vaak in moeizame omstandigheden – anderen ten dienste staan?

Leven met vragen, bidden en actie.

Hoe gaan we te midden van onzekerheid toch op zoek naar zin en hoe bewaren we de hoop? Hoe kunnen we de kwetsbaarheid van ons bestaan aanvaarden en waarderen? Hoe gaan we om met de enorme uitdagingen op ecologisch, sociaal en economisch vlak?
 
Voor geen van die vragen hebben we pasklare antwoorden. Maar we geloven in God en we hebben elkaar. Uit die bronnen van geloof en overleg kan elk van ons putten om te onderscheiden en te handelen. Laten we het doen in verbondenheid met andere groepen en individuen in onze maatschappij.
 
De bisschoppen vragen ons: vertrek eensgezind vanuit het hart van God. Werk in het hart van de wereld. Het is immers daar dat Christus ons zendt door ons doopsel: naar die wereld die wel in staat kan zijn tot grote vrijgevigheid, maar die ook aan twijfel en gemakzucht ten prooi valt. Wat wij kunnen aanbieden, is onze solidariteit, ons oprecht gebed van verbondenheid; onze hoop en de vreugde van het Evangelie die de zekerheid schenkt: “Het komt uiteindelijk goed in Gods tijd”.

 

deze homilie als pdf

Overzicht van alle homilieën.

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven