Previous Article Next Article Homilie Pater Piet 18 augustus 2019 : 20ste zondag door het jaar C
Posted in Homilie

Homilie Pater Piet 18 augustus 2019 : 20ste zondag door het jaar C

Homilie Pater Piet 18 augustus 2019 : 20ste zondag door het jaar C Posted on 18 augustus 2019

Lucas 12, 49-53

De situatie waarin de eerste lezing speelt, is als volgt. Babylonië is een wereldmacht geworden en liet zijn oog óók op Juda vallen. Langdurig is Jeruzalem belegerd, de bevolking lijdt honger en hun koning is een slappeling. Ook de farao van Egypte heeft interesse in Juda. De raadsheren van de koning willen een deal sluiten met farao en zo Babylonië van zich af houden. Jeremia keert zich uit naam van God tegen deze raadslieden. God weet dat Babylonië Jeruzalem totaal kàn en zàl verwoesten, als het zich niet overgeeft. In het vers, voorafgaand aan de eerste lezing, horen we Jeremia dan ook zeggen: Dit zegt de Heer: “Deze stad wordt in handen gegeven van de koning van Babylonië en zijn leger; hij zal haar innemen”.

Die ‘tegendraadse’ profeet Jeremia wordt weggeduwd.

Deze boodschap van Jeremia is moeilijk te aanvaarden. Hoe kun je uit naam van God er voor pleiten je over te geven aan je grootste vijand. Jeremia doet het tóch en bij herhaling. Hij vindt geen gehoor. Juda geeft zich niet over. Jeruzalem wordt dus ingenomen én vernietigd, de raadsheren vermoord, het volk verbannen. Dit bloedbad had kunnen voorkomen worden, als men zich had overgegeven, dus geluisterd had naar Jeremia. God wil immers, dat zijn kinderen leven en niet vernietigd worden; beter te leven onder vreemde heerschappij, dan een slachtpartij en de dood. Bovendien ziet hij in de koning van Babel een instrument van God om zijn volk te louteren.

Het getuigen hiervan brengt Jeremia in doodsgevaar. Hij zag het goed en kon dit niet voor zich houden. Hij wist dat hij de raadsheren tegen zich zou krijgen en die hem aan zouden pakken als hij zei, wat hij meende te “moeten” zeggen. Hij wordt verdacht gemaakt bij de koning. Men vindt argumenten die zwaar klinken: hij ontmoedigt de soldaten en ook het volk. En het besluit is duidelijk: hij moet monddood gemaakt worden. Dit doet men door hem op een bedekte manier uit de weg te ruimen. Men duwt hem in een put. De goedmenende Jeremia krijgt zo veel te lijden. Uitgerekend een allochtoon uit Nubië komt voor hem op, zodat hij niet in die put een wrede dood sterft.

Ook vandaag stoot goed-zijn dikwijls op wrevel en ondank.

Zijn er vandaag niet vele mensen die zich in dit verhaal kunnen herkennen? Hoeveel mensen lijden niet door verdachtmakingen en interpretaties rond goed bedoelde woorden en inzet? Hoe dikwijls wordt inzet voor het goede met ondank beloond? Waarom neemt een omgeving het niet dat goede initiatieven mogen genomen worden? Waarom wordt er altijd iets anders achter gezocht? Waarom worden de goede ingevingen van het hart verdrongen, want: “Wat gaan de anderen zeggen?” Waarom stoot goed-zijn op zoveel weerstand: bij onszelf, bij anderen?

Zo verging het in het verleden vele mensen die ijverden voor het betere, het nieuwere, het hogere ideaal. Zo vergaat het vandaag de mens, die de goede ingevingen van zijn hart in praktijk wil brengen. Vaak wordt ofwel de christen weggeduwd, ofwel wordt hij verplicht zich aan te passen met de woorden: “Wat dat jij nu in je hoofd steekt, doe toch eens gewoon”!

Zelfs de goede Jezus werd ‘buitenspel’ gezet.

Een van de voorgangers in het goede was Jezus. Als christenen belijden we: “Hij is de Zoon van God die zijn leven gaf voor het geluk van de mensen”. “Kijk naar hem”, zegt de tweede lezing, “in plaats van de vreugde kreeg hij het kruis en de schande ervan”. Hij, die opkwam voor het geluk van mensen met woord en daad, heeft de weg van het kruis moeten gaan. Wij horen in het evangelie nog iets van die spanning en die moeilijke keuze : “Ik moet een doopsel ondergaan en hoe beklemd voel ik mij totdat het volbracht is”. Hij legde het zwaartepunt van zijn leven buiten zichzelf, maar kreeg te maken met de weerbarstigheid van de mens.

Hier stelde zich voor Jezus de grote vraag van zijn leven. “Moet ik trouw blijven aan de ingevingen van mijn hart? Moet ik zo blijven houden van de mens en van God voor wie ik gekozen heb?” In het evangelie maken we als het ware zijn besluit mee: “Vuur ben ik komen brengen en hoe verlang ik dat het oplaait!” Dit is het moment van zijn diepe keuze: al de weerstand, alle dreigend onheil en beschuldigingen treedt Hij met liefde tegemoet. Hij blijft geloven in God en zijn liefde voor hem. Hij blijft geloven in de kracht van de liefde voor zijn medemensen. Maar… zijn handen worden gekwetst, zijn hart doorboord.

Maar je trouw geloof schenkt je inspiratie en volharding.

Vanuit deze Jezus-keuze begrijpen we ook beter de harde woorden uit het evangelie: “Meent gij dat ik vrede ben komen brengen?” Jezus zegt hiermee iets over zijn situatie en deze van zijn volgelingen. Zijn houding dwingt tot een keuze. En deze brengt verdeeldheid mee tussen mensen, ja zelfs in één en dezelfde familie. Wanneer mensen kiezen voor Jezus en zijn evangelie, zullen zij ervaren dat hun weg op tegenstand stoot. Daarom zegt de Hebreeënbrief : “Denk aan Hem die zoveel tegenwerking te verduren had : dat zal u helpen om niet uit te vallen en de moed niet op te geven.” Het gelovig leven werkt als vuur: het bezielt en inspireert mensen, maar het werkt ook louterend en verdiepend.

Ik denk hier aan een dame die in haar beroepscontacten met mensen een typische christelijke reflex laat meespelen. Soms glimlachen haar collega’s en smalen: “Jij, met al je ideeën over goed-zijn, je zweeft”. Kijk, zoiets doet pijn. Maar de dame gaat rustig door.

Want als je dicht bij God bent, sta je ook dicht bij je medemens.

Jezus Christus en zijn evangelie stellen ons voor de keuze of we als mensen durven kiezen voor de vergoddelijking van de mens. Met Hem door het leven gaan, is eigenlijk kiezen voor de echte vermenselijking. En daar ontstaat dus de weerstand. Ver van God gaan staan, is ver blijven van de mens. De uitnodiging van vandaag is echter: naderen tot God, om nader bij de mens te komen. En ook omgekeerd!

Met de H. Teresia van Avila zou ik het zo willen uitdrukken: “Wees ervan overtuigd, hoe meer je vordert in de naastenliefde, hoe meer je ook zult vorderen in de liefde tot God. Want de liefde die de goede Jezus ons toedraagt is zó groot, dat Hij in ruil voor onze naastenliefde, die liefde die we hebben voor Hem op duizenderlei wijzen zal doen toenemen. Daar kan ik niet aan twijfelen…”

 

Download of print deze homilie als pdf

Overzicht van alle homilieën.