Homilie Pater Lukas 3 oktober 2020
Thérèse van Lisieux

Van de 17de tot de 19de eeuw hadden veel mensen een beeld van God als een strenge rechter. Daar is verandering in gekomen o.a. dank zij de heilige Thérèse. Zij heeft mensen geholpen om in God terug een liefhebbende Vader te erkennen wiens kinderen wij mogen zijn. Dus terug naar het evangelie. Het charisma van Thérèse is het geestelijk kind-zijn. Maar daar past wel deze bedenking bij: We moeten het onderscheid maken tussen een geestelijke en een psychische dimensie in de mens. Geestelijk moeten wij meer en meer kind worden, in alles afhankelijk van God, psychisch moeten wij juist meer en meer volwassen worden, zoveel mogelijk onafhankelijk, autonoom. In het leven van Thérèse zien wij hoe zij op beide terreinen heeft gestreden. Op psychisch vlak heeft zij te lijden gehad door het overlijden van haar moeder toen ze 4 jaar was en door achtereenvolgende gebeurtenissen die deze wonde weer open deden gaan. Maar ze is altijd blijven proberen om haar overgevoeligheid te overwinnen. En met Gods hulp is zij tot grote psychische volwassenheid kunnen komen, tot wijsheid en evenwicht. Ook op geestelijk vlak zien wij een groei in haar verbondenheid met God, maar ook hier niet zonder worsteling en pijn.
 
Thérèse is 7 jaar in het klooster en zij komt tot deze vaststelling: als ik zo verder doe, geraakt ik er niet. Zij wil heilig worden, dwz volmaakt in de liefde tot God en de naaste. Ze voelt aan dat ze een andere weg moet inslaan. Thérèse is iemand die heel haar leven heeft gezocht, heel persoonlijk. Trouwens op de laatste dag van haar leven zal zij nog zeggen: “Ik heb nooit iets anders gezocht dan de waarheid!” Het is door dit oprecht zoeken en door het lezen van de Schrift, dat zij antwoord krijgt en zo de weg ontdekt die haar tot de volmaakte liefde zal brengen. Daarover schrijft zij: “Jezus vindt er plezier in mij de enige weg te tonen die naar de goddelijke vuurhaard leidt. Die weg is de overgave van het kleine kind dat zonder vrees inslaapt in de armen van zijn vader.” Op het einde van haar leven, als zij al op haar ziekbed ligt, zullen haar zusters haar vragen: “Maar wat bedoel jij toch met dat geestelijk kind-zijn, met dat klein zijn?” Zij geeft daar mooie antwoorden op. Sta mij toe er enkele van voor te lezen: “klein blijven is zijn eigen niets erkennen, het is alles verwachten van God zoals een klein kind alles verwacht van zijn vader. Het is zich over niets zorgen maken.” En verder: “Het is bloemen plukken en die aan God geven om Hem plezier te doen.” Maar ze zegt er ook bij: het zijn bloemen van liefde en van offer. Het klinkt heel liefelijk, maar het is allerminst goedkoop.
 
En verder over het klein zijn: “het is de deugden die men beoefent niet toeschrijven aan zichzelf, maar erkennen dat God deze schat in de hand legt van zijn klein kind om te gebruiken als het nodig is. Maar het blijft de schat van God.” Nog een laatste zin: “klein zijn is: zich niet laten ontmoedigen door zijn fouten, want kleine kinderen vallen dikwijls, maar ze zijn te klein om zich erg pijn te doen.”
 
Als wij deze uitdrukkingen van Thérèse horen, kunnen we de bedenking hebben: dat is mooi en juist, maar hoe kom ik ertoe om dat ook concreet te beleven? Daarvoor kunnen wij drie stappen aanraden om het klein zijn en het geestelijk kind-zijn in te oefenen.
 
1.moment van waarheid: iets maakt je bang, iets maakt je kwaad, iets brengt je uit je evenwicht. Dat willen we eens goed bekijken om tot een eerlijke vaststelling te komen. Zoals Thérèse: al 7 jaar in het klooster en het lukt mij niet. “De waarheid zal u vrij maken”, zegt Jezus. Het gaat erom tot erkenning te komen van een bepaalde onmacht, zwakheid, broosheid, kwetsbaarheid, iets waarmee je blijft worstelen en op eigen kracht niet te boven komt. Dat eerlijk bekennen.
 
2.moment van aanvaarding: i.p.v. door die vaststelling tot opstandigheid te komen, tot zelfbeklag, zelfverwijt of ontmoediging, ervoor kiezen om die vaststelling te aanvaarden als een zekere armoede. Dat bedoelt Thérèse wanneer zij spreekt over het “Arm willen blijven en zonder kracht. Klein willen zijn en het altijd meer worden.” Wat is dat moeilijk. Het is af en toe een stukje doodstrijd: “Vader, laat deze beker aan mij voorbijgaan, maar niet zoals ik wil, maar zoals Gij wilt.” Een vorm van armoede maken we ons eigen, we verzoenen er ons mee. En dat gaat verder dan alleen berusting. Nee, we leggen er ons niet bij neer, maar we vertrouwen ons ermee toe aan God. Dat brengt ons bij de derde stap:
 
3.moment van offerande zoals in de Eucharistie: alleen wat men heeft aanvaard, wat men zich eigen heeft gemaakt, kan men ook geven, toevertrouwen aan God: “Vader, in Uw handen beveel ik mijn geest.” Men geeft aan God geen ideaal ik, men geeft Hem de mens die wij werkelijk zijn, een arme zondaar. Zo hebben wij van onze kant gedaan wat wij kunnen. Nu rekenen wij op Gods hulp, op Zijn kracht. Ons probleem zal meestal blijven bestaan, maar we identificeren er ons niet meer mee. Tot een zekere rust gekomen, laten we God nu aan het werk en zo staan we ook meer open voor het licht van de heilige Geest. Hij kan ons helpen om ons probleem efficiënter aan te pakken. Tegelijk met onze armoede aanvaarden wij dus Gods vaderlijke liefde voor ons persoonlijk, zijn medelijden en zijn zorg. Het is een keuze voor het geloof in Gods werkzame liefde.
 
Uiteindelijk kunnen we ons de vraag stellen: “waarom beleven wij dit niet spontaan?” Antwoord: wij geloven te weinig in Gods liefde voor ons, wij weten ons te weinig door Hem bemind. De autobiografie van Thérèse kreeg ooit de titel: “Ik geloofde in Gods Liefde.” Ons kind-zijn van God in oefenen betekent leren minder besloten te leven op onszelf, minder alles op ons eentje te beredderen, maar zoals een kind: alles aan God vragen, alles van Hem verwachten om dan ook alles van Hem te ontvangen en te ervaren dat Hij ons helpt. En die ervaring doet ons groeien in geloof en vertrouwen.
 
Het is bijzonder om te horen wat Thérèse zegt, de laatste dagen van haar leven: “Wat ben ik blij dat ik mijzelf zo onvolmaakt zie en dat ik Gods barmhartigheid zo nodig heb op het moment van mijn sterven.” Dat is sterk: blij zijn zichzelf onvolmaakt te zien en blij zijn om Gods barmhartigheid nodig te hebben.
 
De weg om daarnaar toe te groeien heeft Thérèse ons doorgegeven. Om te eindigen laat ik haar omschrijving nog eens horen: “Jezus vindt er plezier in mij de enige weg te tonen die naar de goddelijke vuurhaard leidt: de overgave van het kleine kind dat zonder vrees inslaapt in de armen van zijn vader.” Heilige Thérèse, reik ons uw hand en help ons om deze weg van overgave beter en beter te bewandelen.

 

 

deze homilie als pdf

Overzicht van alle homilieën.

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven