Homilie Pater Lukas 29 november 2020 : 1ste zondag van de Advent B-cyclus

De advent en de veertigdagentijd vieren wij in de purperen kleur als een tijd van voorbereiding. Alhoewel de advent toch een gans andere teneur heeft dan de veertigdagentijd zijn er toch gelijkenissen. In de advent leren we vanuit de ervaring van eigen zwakheid en onvermogen, vanuit het eerlijk bekennen van eigen falen en ontrouw, onze hoop te stellen op een ingrijpen van God, op Zijn tussenkomen om ons te redden. En in die verwachting mogen wij ons verbonden weten met zoveel mensen op vandaag die uitzien naar hulp in hun nood, naar licht in hun duisternis, naar kracht in hun zwakheid.
 
De eerste lezing zet daarvoor vandaag de toon. Het is een stukje boeteliturgie: het volk is teruggekeerd uit de ballingschap. Maar Jerusalem ligt in puin en de heropbouw van de stad krijgt de tegenkanting van de plaatselijke bevolking. Een situatie van onmacht. En dit brengt het volk terug bij de eigen schuld. Israël reageert vanuit zijn geloof: vanuit de onheilssituatie gaat het kijken in eigen hart en komt het terecht bij de eigen ontrouw aan het verbond. Laten we de sterke verwoording van Jesaja nog eens beluisteren: “Wij zijn afgedwaald van Gods wegen, ons hart is verstokt, ons hart vreest de Heer niet meer. Niemand denkt eraan Zijn Naam te aanroepen, niemand durft op Hem vertrouwen. Hij was vertoornd en wij volhardden in het kwaad. Wij zijn als afgevallen bladeren, meegevoerd door de wind van onze zonden.” Het beeld van de afgevallen bladeren is wel actueel in de herfsttijd. Maar voor de advent verkiezen wij het sterke groen van spar, den en hulst. Het groen is teken van hoop. Ja, midden die schuldbekentenis is er toch hoop en vertrouwen. Ook dat verwoordt Jesaja mooi wanneer hij overgaat naar een smeekbede: “Waarom toch, Heer, hebt U ons laten afdwalen? Gedenk uw dienaren, denk eraan dat wij Uw eigendom zijn. Keer U weer tot ons, scheur de hemel open en daal af. Sta bij hen die op U durven hopen, kom hén tegemoet die met vreugde gerechtigheid beoefenen, die bij al hun doen aan U denken.” ‘Scheur de hemel open’: dit vers kennen wij uit het lied: Rorate Caeli! De hemel is opengescheurd toen Jezus Zich liet dopen in de Jordaan. Het voorhangsel van de tempel is opengescheurd bij Zijn dood. En in Jezus is God afgedaald zoals God aan Mozes had beloofd bij de brandende braamstruik: “Ik daal af om Mijn volk te bevrijden.”
 
Dit mooie gebed van Jesaja wordt doorgetrokken in de psalm van vandaag. “Richt ons weer op, lach ons weer toe en wij zullen gered zijn.” In Jezus laat God Zijn Aangezicht over ons stralen, Zijn blik vol goedheid en mensenliefde. Hierin ligt onze redding. Als wij de geschiedenis van Israël gedenken, is het altijd om de geschiedenis van ons eigen leven, om het avontuur van ons eigen geloof beter op het spoor te komen. In eerste lezing en psalm vinden wij vier namen van God: Hij is onze Vader, onze Verlosser, onze Herder en Wijnbouwer. ‘Vader’ spreekt over de trouwe, tedere zorg van God voor zijn volk. Maar ook van Zijn schepper zijn. Hij is de kunstenaar, de boetseerder die met liefde de mens uit klei heeft gevormd, naar Zijn eigen beeld. ‘Verlosser’ heeft een eigen betekenis. Letterlijk duidt dit op de naaste bloedverwant die verplicht is in te staan voor het vrijkopen van iemand van de familie als die gevangen zou zitten. Dus iemand die zich engageert om losgeld te betalen. Ook dit is een mooi beeld van God: Hij is in Jezus onze naaste bloedverwant geworden, a.h.w. onze oudere Broer. En ook: God wil van ons vrije mensen maken, vrij van verdrukking van buitenaf, maar ook vrij van afgoden waarin we gevangen kunnen zitten. ‘Herder van Israël’ is een beeld dat vorige week met het feest van Christus Koning aan bod kwam. En tenslotte: ‘Goddelijke Wijnbouwer’: de wijnbouw vraagt heel veel zorg. En het spreekt uiteindelijk ook over de hechte verbondenheid van rank en wijnstok, van bruid en bruidegom.
 
Toen ik het korte stukje las uit de brief van Paulus viel het mij op dat de naam van Jezus Christus daar zes keer wordt genoemd. Het moet wel zijn dat Paulus’ hart vol was van die naam, van die persoon. Wie meer dan hij heeft de genade ervaren van de Verrezen Heer? Hij dankt God dat zijn christenen in Korinthe nu vol verwachting uitzien naar de openbaring van Jezus. En hij roept hen op tot vertrouwen: “God, die u heeft geroepen tot gemeenschap met Zijn Zoon zal u ook doen standhouden tot het einde.” Het zou mooi zijn indien doorheen deze advent de naam van Jezus meer en meer ons hart zou komen vervullen, zoals het Jezuskind groeide in de schoot van Zijn moeder.
 
Tenslotte krijgen we van Jezus in het evangelie de oproep tot waakzaamheid. Dat woord komt vier keer voor in onze tekst: “weest waakzaam”. Deze waakzaamheid toont dat de hoop en de verwachting die wij tijdens deze advent aan de dag willen leggen niet zomaar een passief afwachten is, zoals iemand die wacht totdat de trein op het perron aankomt. Neen. Iemand verwachten is meer actief. Het is de u toegewezen taak zo goed mogelijk behartigen, zorg dragen voor wat u in beheer is gegeven en opmerkzaam zijn voor de tekenen die de Heer geeft van Zijn werkzame aanwezigheid. Het is uiteindelijk ervoor zorgen dat wij Jezus niet verloochenen, dat we niet door het leven gaan alsof wij Hem niet zouden kennen. Jezus had zijn leerlingen in de olijfhof gewaarschuwd: “waakt en bid. De geest is gewillig, maar het vlees is zwak.”
 
Laten wij in deze gesteltenis gedurende de advent tot de Heer bidden, met de laatste woorden van de Bijbel: “Kom Heer Jezus, Maranatha.”

 

 

 

deze homilie als pdf

Overzicht van alle homilieën.

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven