Homilie Pater Lukas Martens 4 juli 2021 : 14de zondag door het jaar B

We kunnen ons enkele vragen stellen: waarom heeft het geloof in God het zo moeilijk in deze wereld? Waarom wordt de Joods Christelijke boodschap naar de marge van de samenleving verwezen? Waarom gaat de christelijke verkondiging zo tegenstroom? En verder: hoe doen wij het om als christen in de wereld te leven, zonder van de wereld te zijn? En tenslotte: hoe maakt God zich kenbaar aan mensen om hen uit te nodigen naar Hem terug te keren, nieuwe verbondenheid met Hem te beleven? We weten dat het gaat om geloof en bekering.
 
Maar laten we vandaaruit even naar de lezingen kijken.
Ezechiël spreekt tot mensen die al een tijd in ballingschap zijn, die het stilaan tot zich laten doordringen dat de goden van het land waarin zij nu verblijven sterker moeten zijn dan de God van Israël. Daarom krijgt de profeet opdracht om deze mensen te laten horen dat Israëls God met hen meegekomen is, dat Hij ook hier hun God wil zijn, dat Hij het verbond blijft gedenken en tot hen wil blijven spreken. Maar Ezechiël zal moeten aanvaarden dat zij niet willen luisteren, dat zij opstandig zijn, nukkig en weerbarstig. Gelukkig heeft Ezechiël een sterke roepingservaring ontvangen om dat aan te kunnen.
 
Ook Paulus heeft een sterke roepingservaring ontvangen door zijn ontmoeting met de verrezen Heer. Ook hij moet smaad, nood, vervolging en benauwdheid doorstaan voor de boodschap die hij verkondigt. Zoals Jezus in de Olijfhof bidt hij tot drie keer toe dat die doorn in zijn vlees zou weggenomen worden, maar het antwoord van de Heer luidt: ‘je hebt genoeg aan mijn genade, kracht wordt juist in zwakheid volkomen’. Het wordt voor Paulus duidelijk dat die zwakheden waarmee hij wordt geconfronteerd geen hinder zijn voor de evangelisatie, integendeel, in zwakheid toont God zijn kracht, zodat hij mag ervaren dat God helpt, genade schenkt, bemoedigt, sterkt. Zo wordt duidelijk dat verkondiging geen mensenwerk is.
 
Met Jezus komen wij dan in Nazareth. Sinds zijn doopsel in de Jordaan was Hij daar niet meer geweest. Intussen horen zijn dorpsgenoten allerlei klanken van wat Jezus doet en zegt. Ze hadden al eens geprobeerd om Hem terug mee naar huis te nemen omdat zij dachten dat Hij niet meer bij zijn verstand was. En nu is Hij daar terug en houdt de homilie in de synagoge. En zijn talrijke toehoorders zijn verbaasd: vanwaar die wijsheid die Hem geschonken is? Vanwaar die wonderen die zijn handen verrichten? Hij is toch een gewone timmerman die geen tijd had om te studeren. Wij kennen toch zijn moeder, zijn neven en nichten? Resultaat: zij vinden Jezus alleen maar arrogant en pretentieus, Hij doet alsof Hij de waarheid in pacht heeft en ze nemen daar aanstoot aan. En door dit ongeloof kan Jezus er maar weinig wonderen doen.
 
Hierbij enkele opmerkingen: vooreerst toont dit evangelie ons dat Jezus tijdens zijn verborgen leven in niets is opgevallen, dat hij en zijn ouders heel gewoon mensen waren. Dat mag ons verbazen, daarin kunnen wij Gods nederigheid zien, hoe Hij helemaal gelijk geworden is aan ons, mensen. Het gewone leven van ieder van ons heeft willen delen. Een tweede opmerking: Jezus stond verwonderd over hun ongeloof. We weten uit het evangelie dat Jezus af en toe meer geloof vindt bij vreemdelingen dan bij zijn Joodse medemensen. Er moet toch iets eigenaardig zijn met dat geloven. Misschien komt dat hierdoor: dat men op den duur de dingen van het geloof te gewoon gaat vinden. Alles wordt een beetje déjà-vu. We kennen dat al, we hebben het al zoveel keer gehoord. Zodanig dat men er niet meer voor open staat, er geen verwondering meer voor kan opbrengen, niets nieuws meer verwacht. De mensen van Nazareth waren Jezus zo gewoon. We kennen Hem. En zoals wij Hem kennen, zo is Hij en niet anders. Eens zo, altijd zo. Dat kunnen we noemen: blijven steken in vermeende zekerheden, te gemakkelijk denken dat alles is zoals wij het hebben leren kennen, er geen rekening mee houden dat de ander een diep geheim in zich draagt, dat situaties kunnen veranderen, dat mensen zich kunnen veranderen.
 
Nog een derde opmerking: geloven in een God die een beetje veraf blijft en wat vaag, is gemakkelijk. Dan kunnen we gerust blijven doen wat wij willen. Maar geloven in een God die dichterbij komt en concreet wordt, zich mengt in ons concreet bestaan, dat is moeilijker, minder vrijblijvend en veeleisender. Dat vraagt dat wij onze wil in overeenstemming brengen met zijn wil en dat vraagt bekering en af en toe een stukje doodstrijd. God, Schepper van hemel en aarde, wordt in Jezus een mens zoals wij, ons rakelings nabij, hier en nu.
 
Tenslotte kunnen we dit doortrekken naar de Eucharistie. Is het niet zo dat er ook een zekere gewoontevorming kan zijn die ons belet om helemaal open te staan voor wat ons hier wordt aangeboden? God is altijd nieuw. Hij heeft altijd iets waarmee Hij ons kan verrassen. Hij wil ons tegemoet komen in wat wij nodig hebben om te groeien in verbondenheid met Hem en zo met elkaar. We kunnen Eucharistie vieren alsof het de eerste keer is van ons leven, of de laatste keer. Zal Hij vandaag bij ons meer geloof vinden dan in Nazareth? Verwachten wij iets van Hem? Houden wij van Hem?

 

 

deze homilie als pdf

Overzicht van alle homilieën.

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven