Homilie Pater Lukas 10 oktober 2020 bij de voettocht van Jong Karmel, in Karmel Oudenaarde

De leerlingen waren pas teruggekomen van hun eerste zendingstocht, komen op verhaal bij Jezus, begeven zich naar BetsaĂŻda om daar wat uit te rusten, maar er zijn de mensen die naar Jezus komen luisteren en die van Hem genezing ontvangen. En het wordt avond. Ze vragen: Jezus, stuur die mensen toch weg. Maar nee, Jezus wil dat die mensen ter plaatse te eten krijgen. Dit is een mooi beeld van God: God is bang dat mensen onderweg gaan bezwijken. God die al het nodige doet opdat mensen in leven zouden blijven. Hij wil dat wij leven, dat wij voluit leven. Daarvoor heeft Hij ons gemaakt.
 
Jezus zegt aan zijn apostelen: geeft gij hun maar te eten. Ook dat is een mooi beeld van God. Hij wil niet zomaar alles doen van bovenaf, met een vingerknip, een druk op de knop. Hij wil mensen nodig hebben. God wil in mensen werkzaam zijn, vanuit hun hart, vanuit hun handen en voeten, ook al lijken onze mogelijkheden en onze krachten enorm veel te weinig voor de nood die er is. 5 broden en 2 vissen voor 5000 mannen, vrouwen en kinderen niet meegerekend, dat is een druppel op een hete plaat, het is dom om dat te doen, het brengt niets op. Maar nee, Jezus neemt aan wat ze hebben en daarmee bewerkt Hij het wonder. En wel als volgt: Hij neemt de broden en de vissen, slaat de ogen ten hemel en spreekt er de zegen over uit: “Vader, Ik zegen U voor wat deze leerlingen van mij van zichzelf hebben gegeven. Ik zegen U voor Iny die haar inspiratie heeft meegedeeld en voor Jan die zorgde dat het kon. Ik zegen U, voor de begeleiders die gedurende deze 20 jaar hun schouders hebben gezet onder de weekends, de kampen, de tochten. Ik zegen U, voor de ouders die hun kinderen er naartoe lieten gaan en voor de kookmoeders die in Zepperen en elders de tieners verwenden. Ik zegen U voor de zusters en de broeders in de Karmel die mee stapten in het avontuur. Ik zegen U voor de familiedagen in Godsheide en Drongen. Ik zegen U, voor de tieners die elkaar aanspoorden om toch mee te komen.” Telkens als wij goede dingen in Jezus’ handen leggen, dan zegent Hij de Vader, Zijn Vader die ook onze Vader is.
 
En dan komt het moment van het breken. Dat is de pijn van het kruis, de pijn van de graankorrel die in de aarde valt en sterft, de pijn van het deeg dat wordt gekneed, de pijn van de druiven die met de voeten worden getreden en geperst. Jezus breekt de broden en aan dit gebaar zullen de leerlingen van EmmaĂĽs erkennen dat het de Heer was die verrezen is. Maar breken is er om uit te kunnen delen aan velen, om door te kunnen geven aan anderen. En door te delen wordt er vermenigvuldigd. Dat is Gods werk. De leerlingen halen nadien nog 12 volle korven met brokken op. Dat is ervaring van overvloed, uitnodiging tot vertrouwen.
 
Tot slot nog de parabel van de koning en de bedelaar die jullie zeker al eens gehoord hebben: de bedelaar langs de weg hoort achter zich paarden aankomen, paarden met een koets, en wel een koninklijke koets. Dat is de dag van mijn leven, zegt hij bij zichzelf. Als ik mij hier nu goed zichtbaar opstel, zal de koning zeker niet aan mij voorbijgaan zonder iets kostbaars te geven. En inderdaad, de koets wordt tot stilstand gebracht, de koning stapt in eigen persoon uit en gaat naar de bedelaar toe. De bedelaar houdt zijn hoed voor zich uit om iets te ontvangen, maar de koning vraagt: beste man, kan jij mij vandaag iets geven? Euch, ik heb niets, Sire, ik ben een bedelaar. Heb je echt niets bij jou om mij te geven, het moet niet veel zijn. En de bedelaar tast in zijn zak en haalt er 5 kleine graankorreltjes uit en legt die in de hand van de koning. De koning dankt hem heel hartelijk en vertrekt weer. De bedelaar blijft achter met de grootste ontgoocheling van zijn leven. Hij stapt verder, hij krijgt er honger van. Hij wil het graan aanspreken dat hij met zich meedroeg in zijn tas. En wat ziet hij? Bij het graan in zijn zak liggen er 5 gouden graankorreltjes te blinken. Ach, nu begrijp hij het: had ik maar alles gegeven, zegt hij.
 
Mensen mogen kiezen wat ze geven aan God: iets, veel of alles. De leerlingen hebben alles gegeven, en ook Jezus: zijn lichaam, zijn bloed, zijn moeder, zijn geest. Niets heeft Hij voor Zichzelf gehouden. En zo wordt Zijn leven vermenigvuldigd: een leven voor ieder die Hem wil ontvangen. Neemt en eet, Ik ben er voor jou.

 

 

 

deze homilie als pdf
Jong Karmel
Karmel Oudenaarde

Overzicht van alle homilieën.

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven